terug naar overzicht

Lekker klooien moet mogen

14 december 2016

In deze blog schrijft Annemarie Roël-Looijenga over de rol van klooien en uitproberen door kinderen en volwassenen.

Door Annemarie Roël-Looijenga, kleuterjuf en onderzoeker aan de TU Delft

Op het symposium ‘Kiezen voor Technologie’ van 2 november jl. kwam het ook weer ter sprake; klooien, uitproberen, is goed voor kinderen, omdat zo andere vaardigheden ontwikkeld worden dan bij doelgericht onderwijs.

Dat is mooi, want uit recent onderzoek blijkt dat bij de natuurlijke manier van leren, die hele jonge kinderen al toepassen, een mens aanvoelt hoe zaken waarschijnlijk in elkaar zitten. Deze voorstelling ontstaat, doordat men een ‘verhaal’ van gebeurtenissen maakt. In de wetenschap heet dat een hypothese. Als waarnemingen niet kloppen met die hypothese, kan die worden bijgesteld of verworpen. (A. Gopnik, 2012, Scientific Thinking in Young Children: Theoretical Advances, Empirical Research and Policy Implications) Dat is natuurlijk leren!

Nieuwsgierigheid bij klooien

Tijdens het symposium werd de rol van nieuwsgierigheid tijdens een ‘klooi-activiteit’ duidelijk uitgelegd. Men was tevreden over de nieuwsgierigheid van kinderen, maar men toonde zich ontevreden over de mate van nieuwsgierigheid van leraren tijdens het begeleiden van klooiende kinderen. Tijdens workshops werd nagedacht over manieren om leraren te leren nieuwsgierig te zijn.

Nu vraag ik me af: Moeten leraren leren nieuwsgierig te zijn? Is niet ieder mens van nature nieuwsgierig? Het volgende (vertaalde) citaat van Alice Gopnik geeft antwoord: “De manier, waarop kinderen en wetenschappers omgaan met waarnemingen/data, is in veel opzichten hetzelfde. Kinderen en wetenschappers gebruiken waarnemingen/data om hypothesen en theorieën te formuleren en te testen. Op drie manieren leren wetenschappers over de wereld om hen heen; door het analyseren van statistische patronen in data/waarnemingen, door te experimenteren en door data en ideeën van andere wetenschappers te bestuderen. Het spontane onderzoekende en ‘doen alsof’ spel van kinderen wordt door hen zo vormgegeven dat het hen helpt iets te leren. Er zijn aanwijzingen dat het ook voor gewone volwassenen effectiever is om zich wetenschappelijke inzichten eigen te maken via spel, experimenteren en observeren dan door die zich te laten onderwijzen.”

De innovatieparadox

Dus is het geen kwestie van aanleg of vaardigheid, maar een kwestie van machtsverhouding; mag ik mijn nieuwsgierigheid gebruiken of moet ik mij aanpassen en mij richten op het behalen van gestelde doelen? Ik kwam op dit idee door de workshop ‘De Innovatieparadox’. Hierin werd duidelijk aangegeven dat alleen leraren en leerlingen het onderwijs werkelijk kunnen verbeteren, maar dat hun plek in het ‘speelveld’ hen daarin beperkt. Een leraar uit het publiek vertaalde dit praktisch in: “Wij willen wel ruimte geven aan het ontdekkende aspect van Wetenschap & Technologie, omdat we merken dat onze leerlingen het nodig hebben. Echter, de controlerende wereld om ons heen is daarbij niet behulpzaam; deze schrijft voor i.p.v. dat ze ruimte geeft.”

Als Alice Gopnik gelijk heeft over het feit dat ook volwassenen het makkelijkst leren via experiment, spel en het observeren van anderen, dan is ook voor volwassenen klooien goed en natuurlijk. Maar krijgen we er ook de gelegenheid voor? Hebben we nog de benodigde nieuwsgierigheid of is die afgeleerd? Ik denk het wel, maar niet op het werk, waar daadkracht verlangd wordt. Het nieuwsgierig klooien mag in de vakantie. Een ander -nieuwsgierigheid-dodend- punt is, dat op het werk acties veelal van te voren verantwoord moeten worden, alsof wij het heden en de toekomst zomaar kunnen overzien. Dat doelgerichte plannen op basis van beperkte informatie vernauwt onze blik. Om de blik te verbreden is klooien nodig. Dit wordt in de wetenschap fundamenteel onderzoek genoemd.

Controleren of observeren?

Samen observeren

Samen observeren

Dus, terugkomend op mijn vraag: “Moeten leraren leren nieuwsgierig te zijn? Is het antwoord: Nee, ze moeten de gelegenheid krijgen de juiste houding aan te nemen; onderzoekend i.p.v. daadkrachtig. Volgens het boek “De Methode” van Maria Montessori (1909) moet de leraar passief zijn om het kind actief te kunnen laten zijn. De leerkracht moet acties van het kind laten gebeuren en deze geïnteresseerd, zonder verwachting, observeren om ze nauwkeurig te kunnen waarnemen. Hier zit pijn. Van de huidige leerkracht wordt verwacht dat die continue controleert en reflecteert op de voortgang van de leerling richting leerdoelen. Dat lukt niet gelijktijdig met observeren. Planmatige verantwoording van-te-voren verstoord het oordeelloos observeren van de leerkracht. En planmatige verantwoording van-te-voren, om een controle mogelijk te maken, is niet zonder meer nodig. Een achteraf verslag van een observatie is minstens even waardevol. Hierdoor ontstaat een nieuw vertrekpunt voor het leeraanbod. Deze manier van werken kan heel efficiënt zijn.

Vertrouwen

Een leerkracht kan alleen ruimte krijgen voor deze ‘omgekeerde’ gang van zaken, als die goedkeuring daarvoor krijgt van ouders en schoolleiding. Op hun beurt moeten schoolleiders ruimte en vertrouwen krijgen van hun bestuur, en van inspectie en ministerie, voor rapportage achteraf.

In een sfeer van vertrouwen kunnen er al klooiend nieuwe dingen worden ontdekt, die niet gezien waren als ze van te voren gemeld hadden moeten worden.

Tags: experimenteren, Gopnik, innovatieparadox, kiezen voor technologie, kinderen, klooien, onderzoekende houding, school, spelend leren, technologie, W&T, wetenschap